3 mei 1943

Een zwarte dag op de Roderesch

Bron: Cees van der Kooij, Bakkerstraat, v. Bergenstraat, Torensmalaan. Roden: 4 Mei Comité, 2019.

Voormalig Café Giezen, nu Herberg van Es.

In Café Giezen aan het begin van de Hoofdweg in Roderesch vond op 2 mei 1943 een kaartavond plaats. Aan de bar zaten verschillende jongens uit Roderesch plannen te maken voor de volgende dag. Zij wilden net als elders in Nederland dan gaan staken. Daarbij zaten o.m. Harm Bakker en zijn broer Jan en Tiem van Bergen. De Bakkers en de Van Bergens woonden in kleine boerderijtjes aan de Hoofdweg. Harm was de oudste thuis, zijn vader was overleden. Zij hielden paarden. Overdag werkte Harm als pakhuisknecht in een graanpakhuis in Groningen aan de Aweg. Tiem van Bergen – Tiempie noemden ze hem – was jonger en werkte bij zijn ouders – zijn vader was boswachter – op hun boerderijtje. 

Waarom wilden ze staken? Op 29 april 1943 hadden de Duitsers besloten dat alle 300.000 Nederlanders die in 1940 tegen de Duitsers gevochten hadden zich moesten melden om te gaan werken in Duitsland. Dat besluit viel heel slecht bij heel veel Nederlanders en spontaan begonnen door heel Nederland stakingsacties. De jongens in café Giezen in Roderesch overlegden wat zij konden gaan doen.

Tunnis (l) en Marchienus (r) Giezen

De volgende dag – 3 mei 1943 – begon Marchienus Giezen samen met zijn broer Tunnis uit Steenbergen aan zijn dagelijkse melkrit. Hij haalde met zijn paard en wagen de melkbussen op bij de boeren en bracht deze naar de melkfabriek in Roden. Verschillende boeren hadden hun melkbussen niet buiten gezet. Toen Marchienus aankwam bij café Giezen was zijn kar niet zo vol als anders. Toen hij stopte bij het café kwam een aantal jongemannen aangelopen en die begonnen de bussen van de kar te trekken en leeg te gooien. Het waren o.a. Harm Bakker, zijn broer Jan, en Klaas Giezen.

Marchienus op de melkkar

Toen landbouwer Brouwer na zijn ontbijt naar het café liep voor een boodschap trof hij bij de melkwagen een groep mensen aan, die met elkaar in gesprek waren. Ook Tiem van Bergen was erbij. Later bleek dat deze groep mensen gezien was door NSB’er Jaap Luitjens, de zoon van de veearts in Roden. Hij gaf de namen van de mannen die daar stonden door aan het gemeentehuis. 

NSB’er Hagenauw had op die dag al vroeg de Duitsers gewaarschuwd dat er in Roden gestaakt ging worden. De Duitsers stuurden vanuit Assen een vrachtauto met gewapende politiemannen naar het gemeentehuis. NSB-secretaris Jan Kemkers klom aan boord en zou de Duitsers de weg wijzen naar de mannen, die Luitjens genoemd had. 

In Roden zelf hadden verschillende boeren hun melkbussen niet buiten gezet. De arbeiders van de melkfabriek gingen in staking. NSB-burgemeester Bruininga was in alle staten: stakingen in zijn gemeente. Hij kreeg van de Duitsers de opdracht zes stakers op te pakken. Hij eiste op de melkfabriek de namen van boeren die geen melk geleverd hadden Inmiddels reed de Duitse politie met Kemkers naar Roderesch. Daar werden Harm en Jan Bakker en Johannes Kalfsbeek gearresteerd. Onder bewaking van een gewapende politieman moesten zij op de vrachtauto klimmen.

Bij het huis van Klaas Giezen bleek deze niet thuis en dat gold ook voor Geert Brouwer, die zich verstopt had in een slootkant. Vandaar ging de vrachtauto naar de Hoofdweg.

Ze kwamen bij de boerderij van Van Bergen, waar Tiem naast het huis aardappels aan het uitzoeken was. Kemkers zag hem en riep: Daar is er nog één. Tiem vluchtte naar de bosjes achterin hun land. De Duitsers begonnen op hem te schieten en hij werd dodelijk getroffen. 

Met de drie mannen en het lijk van Van Bergen ging het naar het gemeentehuis. Daar stapte Kemkers uit en NSB’er Lok nam zijn plaats in. Lok wees de Duitsers de weg naar drie boeren, die geen melk hadden geleverd. Op wat nu het Julianaplein heet pakten ze boer Jan Postema op, aan De Zulthe en in Nieuw-Roden de gebroeders Lubbe en Jacob Dijk, die beiden ook geen melk geleverd hadden. Bruininga had zijn zes stakers. Lok stapte uit bij het gemeentehuis en de Duitsers reden met de zes man terug naar Assen. 

Vandaar werden de gevangenen naar Groningen naar het hoofdkwartier van de Duitsers, het Scholtenhuis op de Grote Markt, gebracht. Daar werden ze verhoord. Jan Postema, de gebroeders Dijk en Harm Bakker werden ter dood veroordeeld. Kalfsbeek en Jan Bakker werden vrijgelaten. Jan Postema ontsnapte nadat hij zijn vonnis gehoord had uit het Scholtenhuis, maar werd op de Grote Markt doodgeschoten. De gebroeders Dijk kregen strafvermindering en werden afgevoerd naar kamp Vught (en later naar kampen in Duitsland, maar ze overleefden de oorlog). Harm Bakker werd bij de Rabenhauptkazerne in Groningen doodgeschoten. Zijn dood werd aangekondigd op affiches die overal opgeplakt werden. Dat was een middel van de Duitsers om de stakers te ontmoedigen. 

Het monument te Appelbergen

Samen met Jan Postema werd zijn lichaam begraven in een moeras in Appelbergen. Hun familie kreeg te horen dat ze dood waren, maar niet waar ze begraven waren. Na de oorlog is het lichaam van Postema daar teruggevonden, het lichaam van Bakker bleek echter onvindbaar. De April-Mei-staking bracht grote ellende bij verschillende families in Roderesch. Doordat de Duitsers zo gewelddadig optraden eindigde de staking vrij snel. Het werk werd hervat, maar wel bij menigeen in het achterhoofd het idee dat de Duitsers met de oproep van de Nederlandse soldaten en het vermoorden van stakers te ver waren gegaan. Na de staking kwam het verzet tegen de Duitsers pas goed op gang. Slechts 8000 van de 300.000 Nederlandse militairen uit 1940 meldden zich aan. De rest was al eerder opgeroepen, bleef thuis of dook onder.